Mag ik bestaan?

Reflecties na twee studiedagen over existentiële vragen, psychotherapie en mens-zijn

De afgelopen weken nam ik deel aan twee studiedagen die — elk op hun eigen manier — ruimte maakten voor existentiële vragen en de kwetsbaarheid van het menselijk bestaan.

Op 24 april volgde ik de studiedag “Mag ik bestaan?” van het Centrum existentiële experiëntiële psychotherapie (EEP – KU Leuven).
Op 8 mei woonde ik de studiedag van Reakiro bij: “Ik kan niet meer leven. Laat me (niet) los.”

Hoewel beide studiedagen een andere invalshoek hadden, bleven ze voor mij rond dezelfde kern cirkelen. Een vraag die ik als psycholoog-psychotherapeut ook heel vaak voel binnenkomen in de gespreksruimte:

“Mag ik bestaan — zoals ik ben?”

Mag ik bestaan met al mijn kanten, met mijn kwetsbaarheid, mijn verlangens, mijn verdriet, mijn boosheid, mijn verwarring?
Mag ik ruimte innemen?
Mag ik verwachten dat anderen proberen begrijpen wie ik ben?
Of moet ik mij aanpassen, delen van mezelf verstoppen, zachter worden, kleiner worden, makkelijker verteerbaar worden?

Vaak gaat therapie niet alleen over symptomen of diagnoses, maar over iets veel fundamentelers. Over de vraag of iemand het gevoel heeft dat zijn of haar bestaan welkom is.

Mag ik aangeven wat ik nodig heb?
Mag ik uitspreken waar ik naar verlang, wat ik hoop, wat ik ervaar?
Of wordt dat meteen weggewuifd als “te veel”, “overdreven”, “gek”, “flauw” of “lastig”?

Mag mijn realiteit naast die van jou bestaan?

Dat raakt voor mij aan iets heel wezenlijks in mens-zijn en in hulpverlening. Veel mensen lijken ergens diep vanbinnen te worstelen met een impliciete voorwaarde om te mogen bestaan:

Ik mag er zijn zolang ik zorg voor anderen.
Ik mag er zijn zolang ik mij aanpas.
Ik mag er zijn zolang ik niet te veel ben.

Maar wie blijft er dan nog over?
Wie ben je nog als je niet voortdurend rekening houdt met de ander?
Ben je dan nog een “goed” mens?
Ben je dan nog waard om graag gezien te worden?
Waard om te leven?

En soms schuurt die vraag nog existentiëler:

Is dit leven wel waard geleefd te worden?

De studiedag van Reakiro bracht ook die moeilijke vragen dichtbij.
Hebben mensen de plicht om te leven?
Bestaat er zoiets als een ultieme verantwoordelijkheid tegenover het leven?
En zo ja: tegenover wie dan?

Tegenover onszelf?
De mensen rondom ons?
De maatschappij?
Een God?
Een idee van betekenis?

Ik merk hoe weinig pasklare antwoorden er bestaan op zulke vragen. En misschien is dat ook net de essentie van existentiële thema’s: dat ze niet opgelost moeten worden, maar gedragen, onderzocht en verdragen.

Als therapeut voel ik hoe belangrijk het is om ruimte te maken voor die vragen, zonder ze te snel dicht te willen doen. Niet onmiddellijk geruststellen. Niet onmiddellijk oplossen. Maar aanwezig blijven bij de spanning, de wanhoop, de twijfel en het zoeken.

Tegelijk merk ik hoe confronterend dat soms ook is. Want existentiële vragen raken zelden alleen de cliënt. Ze raken vaak ook iets in onszelf.

Hoe staan wij hierin — als mens, als hulpverlener, als vriend, partner of familielid?
Wat gebeurt er wanneer de wanhoop van iemand anders onze eigen existentiële angst raakt?
Hoe blijf je nabij wanneer je zelf ook geen absolute antwoorden hebt?

Voor mij zijn dat vruchtbare vragen.
Niet alleen voor therapie, maar ook voor supervisie, intervisie en ontmoeting tussen hulpverleners.

Misschien hoeven we niet altijd zekerheid te bieden.
Misschien begint betekenis soms net daar waar iemand ten volle mag bestaan in zijn zoektocht, zonder onmiddellijk gecorrigeerd, opgelost of gerepareerd te worden.

Misschien is dat één van de meest fundamentele menselijke ervaringen:

Dat iemand tegenover je blijft zitten en impliciet zegt:

“Ja. Jij mag bestaan.”